Nieuws
Timo G. Nijland, Rob P.J. van Hees, Barbara Lubelli, Jacques L.R. Touret

Zoutschade aan natuursteen en metselwerk

Al in de klassieke oudheid kende men het verschijnsel dat steenachtige bouwmaterialen in aanwezigheid van zouten aangetast kunnen worden. Voordat men ook enig begrip kreeg van de schademechanismen verstreken er millennia. Vooral in de afgelopen twee eeuwen ontwikkelde zich het wetenschappelijk onderzoek naar de mogelijke achtergrond van zoutschade: de mechanismen waardoor deze schade ontstaat. In deze bijdrage wordt een kort overzicht gegeven van die ontwikkeling, waar die betrekking heeft op zouten die in water kunnen oplossen en met water door de poriën van steen getransporteerd kunnen worden.

Allereerst ontstond het idee dat dergelijke zouten kristallisatiedruk kunnen opbouwen. Bij kristallisatie vlak onder het oppervlak leidt de groei van het zoutkristal tot trekkrachten die het materiaal niet kan weerstaan. Verpoedering, afschilfering en andere degradatievormen zijn daarvan het gevolg. Het besef dat hiermee nog niet alle verschijnselen verklaard konden worden leidde tot de veronderstelling dat ook hydratatiedruk een rol zou kunnen spelen. Recent onderzoek wijst echter ook op andere mechanismen. Toch, ook daarmee zijn nog niet alle schadevormen afdoende te verklaren. Een adequaat begrip is echter essentieel, niet alleen voor het begrijpen van de schade, maar ook voor het ontwikkelen van (restauratie)materialen met een grotere zoutbestandheid. Dit historisch overzicht leidt daarmee tot de conclusie dat op dit gebied ook in de komende decennia nog het nodige onderzoek moet worden verricht.

Bron: 
Praktijkreeks Cultureel Erfgoed
Categorieën: 
Dossiers: