Nieuws
Yvo Meihuizen

Welke kleur mag een monument hebben?

Halverwege de vorige eeuw hanteerde men een vrij vast kleurenpalet voor Erfgoed. Zo mochten de deuren van de panden op de Amsterdamse grachten alleen in het z.g. "grachtengroen" worden geschilderd. Merkwaardigerwijze was het pigment van die kleur pas sedert 1850 op de markt. Tegenwoordig hanteert men meer een keus aan traditionele pigmenten zoals bijv. de Dordtse kleurenwaaier. Belangrijker is het dat er een ‘ademende’ verflaag wordt toegepast. Dekkende verven kunnen verstikkend zijn voor het houtwerk. Vaststaande kleuren zijn vooral van belang voor binnenwerk, waar men door onderzoek kan nagaan wat de oorspronkelijke kleur is geweest en buitenwerks alleen in bijzondere gevallen, zoals bij buitenplaatsen en bijbehorende boerderijen of als de architect zelf heel bewust een bepaalde combinatie heeft gekozen (bijv. Rietveldhuis in Utrecht).

Gebouwen werden geschilderd om hen tegen vocht te beschermen. Hout en lood werd bijna altijd geschilderd, maar soms ook baksteen en natuursteen. De schilder mengde zijn pigmenten zelf. Standaardkleuren bestonden niet en de regionale verschillen waren legio. Dit had te maken met de ter plaatse gemakkelijk leverbare pigmenten. In Holland vaak uit ‘de Oost’, in het noorden vaak uit de Baltische staten.
Veel kleurendeskundigen hanteren tegenwoordig ‘ral-nummers’. Deze zijn echter door de Duitse industrie ontwikkeld voor het schilderen van metaal. Het verwijzen naar deze ral-nummers is vanuit het standpunt van Erfgoedzorg dus vrij onzinnig. Er zijn vaak plaatselijke verf­fabrieken die zeer goede en verantwoorde pigmenten hanteren met een eigen codering.
De beste methode voor het zoeken maar historisch verantwoorde kleuren is het doen van kleuronderzoek. Hierbij wordt laag voor laag de verflaag afgekrabd, waarna de oorspronkelijke kleur ten slotte overblijft (het kleurentrapje). Hieruit blijkt vaak dat een monument in de loop der tijden veel verschillende kleuren heeft gekend.
In Amersfoort bijvoorbeeld komt men tegenwoordig veel verschillende combinaties naast elkaar tegen, zonder dat dit tot een bonte kakofonie van schilderwerk leidt. Voorwaarde voor het schilderen van een monument blijft namelijk, dat men van een historische kleurcombinatie gebruikmaakt. Dit kan soms ook leiden tot naar ons idee vreemde kleurcombinaties. Zo waren onze zeventiende-eeuwse bakstenen huizen vaak heel bont gekleurd. En de Romaanse bakstenen kerken in het noorden van ons land waren meestal egaal rood geschilderd waarna met witte verf de voegen opnieuw werden aangebracht. In die tijd vond men de afwisselende kleur van het metselwerk niet mooi, terwijl wij dat tegenwoordig zo levendig vinden staan.
Er is slechts één geval waarin men zich heel stipt aan de kleur van een monument moet houden. Dat is als we weten dat een architect heel bewust voor een bepaalde kleurcombinatie heeft gekozen. Het Rietveld-Schröderhuis in Utrecht kan en mag niet anders dan in de huidige kleuren blijven, omdat deze kleurstelling expliciet onderdeel uitmaakt van het ontwerp.
Een heel aparte rol hebben schilderwerk en kleur gespeeld bij landgoederen. Bij boerderijen en woonhuizen die aan het landgoed verbonden waren, hadden alle deuren en luiken dezelfde kleurcombinatie. Het is duidelijk dat dergelijke kleurcombinaties een monumentale waarde hebben.
Veel belangrijker dan de kleur van de verflaag is  de fysieke aard van de verf. Het is heel belangrijk dat de verf goed kan ‘ademen’, dat wil zeggen dat in het hout aanwezig vocht naar buiten kan verdampen. Dit, omdat het hout anders zeer snel zal wegrotten.
Het beste kan men gelijke verven op gelijke verven aanbrengen. Toch heeft het gebruik van lijnolieverven, zoals die in de zeventiende en achttiende eeuw werden gebruikt bij het buitenschilderwerk, een groot nadeel. De verf is kwetsbaar en heeft een zeer lange drogingstijd. Na 1950 kwamen de verven op alkydbasis in de handel. Deze hadden een hoge glans en waren zeer waterdicht. Een nadeel van dit laatste is dat ze een verstikkende werking op het eronder liggende houtwerk hebben. Momenteel zijn de meeste verven op een acryl-waterbasis. Ook hierbij moet men terdege rekening houden met het ‘ademend vermogen’ van de verflaag

Bron: 
Een monument beheren, onderhouden en handhaven
Zie ook: 
Categorieën: 
Dossiers: