Nieuws
Rob P.J. van Hees, Barbara Lubelli en Anke Hacquebord

Optrekkend vocht: evaluatie van bestrijdingsmiddelen

‘Salpeter’, zo noemde de bouwvakker de zoutschade die hij onderaan gevels aantrof. Bij stalgebouwen zat hij er veelal niet ver naast. Ook het besef dat kwalijke dampen uit de bodem in het muurwerk kunnen opstijgen, was hem wel bekend – als ervaringsfeit, omdat arbeidershuisjes op het veen er nu eenmaal meer last van hadden dan herenhuizen op goede grond.

Toen later het verschijnsel van capillair optrekkend vocht beter werd begrepen, kwamen er vele methoden en producten op de markt om het verschijnsel te bestrijden. Ze variëren van Kapensifons en dichte onderbrekingen tot tal van chemische producten die door injectie in het onderste deel van het muurwerk worden gebracht.

Thans wordt de Nederlandse markt gedomineerd door deze laatste producten, die vrijwel alle gebaseerd zijn op het waterafstotend maken van poriewanden. Hoe werkzaam zijn deze producten eigenlijk, en hoe kunnen we de werking testen? Internationaal aanvaarde standaardbeproevingen bestaan net zo min als proeven waarmee na behandeling binnen redelijke tijd kan worden vastgesteld of de behandeling ook doet waarvoor hij is bedoeld.
In samenwerking met een aantal stakeholders uit het bedrijfsleven en de overheid werkt TNO al enkele jaren aan de ontwikkeling van goede proeven, die uitsluitsel moeten kunnen bieden over de werkzaamheid van deze producten en de succesvolle applicatie. In deze bijdrage worden de tussentijdse resultaten gegeven in een drietal artikelen. Daarin blijkt dat er al belangrijke stappen zijn gezet en de problematiek inmiddels al veel beter wordt begrepen. Thans wordt gewerkt aan de laatste fase van het onderzoeksproject, waaruit uiteindelijk een voorstel moet voortkomen voor onderzoeksprocedures waarmee in het bijzonder twee vragen beantwoord kunnen worden: Kan een bepaald product, onder de omstandigheden waarin een gegeven stuk muurwerk verkeert, het optrekken van vocht afdoende en duurzaam bestrijden? En is een applicatie zodanig uitgevoerd, dat het optrekken van vocht afdoende wordt verhinderd? De factor tijd is daarbij belangrijk.
De eerste vraag moet, wil het beproeven zinvol zijn, binnen enkele weken beantwoord kunnen worden. Voor beantwoording van de tweede vraag zal noodzakelijkerwijs meer tijd moeten worden genomen; beantwoording binnen enkele maanden maakt daar onderdeel uit van het gestelde doel. Nog altijd een belangrijke stap voorwaarts ten opzichte van de huidige praktijk. Die laat zich beschrijven als trial and error. Te vaak blijkt na ongeveer een decennium dat de behandeling, waarvan men inmiddels alle bijzonderheden is vergeten, niet of nauwelijks het optrekken van vocht verhindert.

  

Bron: 
Praktijkreeks Cultureel Erfgoed
Zie ook: 
Categorieën: 
Dossiers: